
Een kat bezichtigde te Dongen
een ziekenzaal vol zieke tongen
en had geheel zoals het hoort
voor elke tong een troostend woord.
De keer dat ook haar kater meeging
bracht heel wat tongen in beweging.
Het onbedaarlijke gesoes
van een te vet geworden poes
werd soms getemperd door het lichte
besef niets nuttigs te verrichten.
‘Was ik een koe’, zo sprak zij sloom,
‘dan soesde ik tenminste room’.
‘Ik vluchtte’, sprak een kleine muis,
‘bij mijn geboorte reeds van huis
en ook mijn broertjes en zusjes
gaven, hoe warm ook en hoe knusjes,
het ouderhuis meteen de bons,
want vader at beschuit met óns’.
Uit: het grote beestenfeest, de beste Trijntje Fops (=Kees Stip) aller tijden









